Geschiedenis

De aanloop: ...-1884

Studenten verenigden zich al sinds het ontstaan van de universiteiten. Eén soort vereniging was de natio, een eerder ophefmakende type vereniging die niet schuw was van geweld. Ten tijde van de middeleeuwen was Europa verdeeld in naties; studenten sloten zich dan aan bij de natie waar zij ‘bijhoorden’. De natio kwam echter eerder in Nederland, Midden- en Noord-Europa voor dan in de vroegere vormen van Vlaanderen.

De Leuvense universiteit opende haar deuren op 6 september 1426: 3 faculteiten (Artes, Lex (recht) en Remedium (geneeskunde)) en 12 professoren. De Alma Mater trok studenten van heel Europa aan omwille van de vreedzame ligging.

De eerste nationes aan in Leuven waren Brabantia, de Brabantse natie, en Flandria, de Vlaamse natie.Aan het einde van de 16e eeuw onstonden ook de eerste regionale clubs, de collegia nationalia . In 1821 werd een sociëteit naar het model van de Duitse Burshenschaften opgericht, maar deze werd snel verboden. Vijf jaar later werd een andere sociëteit opgericht, de Société des Etudiants.

De gilden: 1836-1884

De gildes werden opgericht in de 19e eeuw. De politieke situatie positioneerde destijds een scherpe liberaal-katholieke tegenstelling. Klerikaal-gezinde college-leerkrachten bliezen leven in gilden om de leerlingen te ‘behouden’ van deze liberale invloeden. In 1836 ontstond te Turnhout de lettergilde Trouw en Broederliefde, in 1843 ontstond Utile Dulci aan het Klein-Seminarie te Sint-Truiden. In 1877 ontstond de eerste soort overkoepelende vereniging, nl. het Algemeen Vlaams Studentenverbond. Iedere provincie, behalve Limburg, had een gouwleider om zich te vertegenwoordigen in de AVS. Drie jaar later, met het plots overleiden van Albrecht Rodenbach (wiens interesse ook afnam doorheen de jaren) en de verminderde belangstelling door Pol De Mont, viel het Algemeen Vlaams Studentenverbond uit elkaar.

De voorloper van de Limburgse Gilde was Zand en Leem . Deze studentenclub was samen met de Antwerpse studentenkring de eerste gewestelijke, m.a.w. grondgebonden, studentenkring van Vlaanderen. Zand en Leem werd opgericht voor 1881 en verdween in 1898. Zand en Leem kreeg het etiket ‘Gaugilde voor de Limburgers’, maar werd door de katholiekgezinde instanties beschouwd als onstijlvol en een zuipersclub die zich niet inzette voor de ‘Vlaamse zaak’. De Vlaamsche Vlagge van januari 1885 schrijft: ‘1885: De Limburgers tellen eenige goede en geheel vele flauwe Vlamingen. Zij hebben reeds eene gaugilde “Zand en Leem” geheeten, die zou verdienen gansch herbakken te worden want heur bijzonder doel is van pintjes te drinken. Nogtans daar is het ook reeds aan de beterhand, en ja menige moedige Limburger zal krachtig medewerken aan het limburgsch tijdschrift “Het daghet in den Oosten”.’

Het begin: 1885-1913

De wet van vrijdag 15 juni 1883 inzake de gedeeltelijke vernederlandsing van het rijksonderwijs bracht een aardverschuiving mee: de eerste Vlaamse faculteitskringen werden opgericht en studenten organiseerden zich in provinciale gouwgilden. In april 1883, 2 maanden voor de goedgekeurde wet, gaf de West-Vlaamse Gilde het startschot, in december 1885 volgde de Limburgse Gilde.

De Limburgse Gilde werd op donderdag 10 december 1885 in kamer 3 van het Pauscollege opgericht door Lode Plessers, Mathieu Liesens en Arnout Hendrix.

De eerste twee studentenclubs om in de Gilde te zetelen werden Heidebloem (1898) en Cicindria (1898). Hesbania(1899) volgde een jaar later. Cicindria verdween, samen met vele andere clubs, na de eerste wereldoorlog. Zij kende echter een tweede bestaan als Truiense weekendclub waar vele Hesbania-leden in zaten. De regionale studentenclubs waren in die tijd meer aan een college verbonden dan aan een regio. Heidebloem was verbonden aan het college van Maaseik, Neerpelt en Beringen, Cicindria aan het Klein Seminarie van Sint-Truiden, Hesbania aan het college van Tongeren en Hasselt.

Hoewel deze gildes zich initiëel inzetten voor de Vlaamse zaak verhuisde hun aandacht al snel naar het gezelligheidsleven.In 1908 kwamen de gildes overeen één kleur per Gilde te nemen: Limburg had blauw, lichtgroen was voor Brabant.

Ondanks dat de focus lag op het gezelligheidsleven, kende deze vereniging nog een Vlaams karakter.In februari 1908, kort na de invoering van de clubpetten en de afvoering van de Franse calottes, maakte Hesbania zichzelf legendarisch: in de Lichtstoet ter ere van de Lustrum van Ons Leven hadden zij een wagen waarop een aap met een calotte werd afgebeeld.Dit incident leidde tot een totale splitsing van het Vlaamse en Waalse clubleven.

foto van Jan Willem Meugens.

Ons Leven rapporteerde op 7 maart 1913 inzake de Lichtstoet: ‘In Limburg daar leeft en bommelt nog het oude roldersras. Hesbania gaf een nette instantané van een rolling. De kortgeklokte persoonlijkheid van den Limburgschen voorzitter was onder anderen duidelijk getypeerd boven op een tafel. Op de achterzijde van de lichtprent werd bewezen dat de eenvoudige schoonheidsuitwazemingen van een meisje op de gevoelsorganen van een jongenslijf een sterkeren indruk maken als de volle stroel van een leegloopend biervat. Van de Heideblommers kan ik me enkel herinneren dat ze schijnen een voorliefde te hebben voor den stijl die bloeide in den lande omtrent de jaren achttien honderd dertig.’

Het dient opgemerkt te worden dat de Katholieke Universiteit Leuven destijds Waalsgezind was, en dat er enkel jongensstudenten waren.Daarenboven was het tot 1928, de oprichting van het Seniorenkonvent, mogelijk om lid te zijn van de Limburgse Gilde of van een regionale club, of van allebei.

WOI: 1914-1918

Op 4 augustus 1914 brak Wereldoorlog I uit en Leuven werd reeds zestien dagen later bezet door het Duitse leger. Rector Mgr. Paulin Ladeuze besloot in solidariteit met de andere universiteiten om de colleges stil te leggen en een droeve periode klonk voor zowel de Universiteit als de Gilde. De Universiteitsbibliotheek -destijds in de Naamstestraat, waar nu o.a. de Universiteitshallen staan- werd afgebrand en waardevolle documenten gingen in vlammen op. Deze daad leverde de Duitsers de bijnaam “respectloze barbaren” op: ongeveer 1000 handschriften, 800 incunabelen en 300.000 boeken, verzameld doorheen de 500-jarige geschiedenis van de universiteit, gingen verloren, waaronder archieven van enorme geschiedkundige waarde tot de Limburgse Gilde.

Tussen oorlogen: 1919-1939

Jozef Bollen herinstalleerde de LG in 1919 en nam zijn positie als LG senior opnieuw in. Er vond ook een ware mentaliteitsverandering plaats in het studentenleven: veel jongens waren immers twintigers die het leed van een oorlog op de frontlinie meegemaakt hadden. De eerste jaren na de oorlog waren vooral de jaren van de herbouwing. De Oude Markt werd herbouwd, de bibliotheek verhuisde naar het Ladeuze en werd ingehuldigd op 4 juli 1928, mede-mogelijk gemaakt door Herbert Hoover die later Amerikaans president werd.

Dat de Gilde destijds zich ook inzette voor politiek – sociale doeleinden wordt bewezen door een stuk in Ons Leven van 28 november 1922 over de Limburgsche Gouwgilde: “Vergadering van 15en november 1922. Dat de vergadering belangrijk zou zijn, bewees de talrijke opkomst der leden. Een bizonder woordje van dank voor de Hesbaniërs die door louter toeval, denzelfden avond moesten samenkomen en er allen aan gehouden hebben eerst naar de Limburgsche te komen om later hunne vergadering te beginnen. Nadat de voorzitter Lode Somers nog een huldewoord gebracht had aan de nagedachtenis van onze diepbetreurden vriend Donat Keunen, werd onder daverend applaus het woord gegeven aan den Zeer Eerwaarden Heer Kanunnik en Senator Broekx, bestuurder der maatschappelijke werken in
Limburg. In een zeer meesleepende, door bewijzen en statistieken gestaafde rede, wist de gevierde spreker een uur lang zijne toehoorders te boeien over den huidigen en toekomstigen toestand in Limburg in verband met de Kolennijverheid.Hij kwam tot het besluit dat de huidige toestand niet rooskleurig is.Spreker wees er op dat de toestand te redden is, niet door het kapitaal, vermits 40% van het uitbatingskpaitaal in Fransche handen is, maar door te werken op het volk.Hiervoor zijn de vrije katholieke beroepscholen een maatregel. Spreker doelde ook op den afschrikwekkende zedelijken toestand der vreemde werklieden die in Limburg aankomen en zulks zal niet verbeteren voor de 45.000 werklieden die tusschen dit en tien jaar nog uit den vreemde in de Limburgsche kolennijverheid zullen aanlanden.Als droevige parenthesis haalde spreker nog aan hoe onze Vlaamsche werklieden verwaalscht en ontchristend worden in de omstreken van Luik.”

De strijd tussen de Vlaamse en Waalse studenten kenden een tweede historisch moment in de 19e eeuw: de Slag van Matadi (vrijdag 26 februari 1926). Twee Oost – Vlaamse studenten werden door een Waalse knokploeg afgetroefd en zochten als schuiloord de vergadering van de West-Vlaamse Gilde op. De rest is geschiedenis: terwijl de gildebroeders de jongens naar huis escorteerde kwamen ze opnieuw in aanvaring met de knokploeg en volgden hen naar Heverlee, met name de wijk Matadi. Een bloederige knokpartij volgde tot drie uur ’s ochtends.

In 1928 werd het Seniorenkonvent, de overkoepeling van de clubs en de gildes, opgericht en er werd besloten dat de clubs binnen gildes verschillende kleuren moesten hebben. Commilitones droegen vanaf heden een smal lint over de rechterschouder, schachten over de linkerschouder; de praeses droeg een breed lint. In 1935 werd de clubcodex geïntroduceerd door Mon De Goeyse. In 1936 werden Nederlandstalige colleges aan de KUL gelijkgesteld in aanbod.

De Gilde hield stand tot 1943, tot het hitst van WO II. Hasseleta (1939) kwam snel piepen alvorens de vrede afgelopen was, maar was in haar eerste levensjaren enkel actief als weekendclub en hoorde niet bij het SK of de Gilde.

WOII: 1940-1945

Leuven werd wederom onmiddellijk geplaagd (10 mei 1940) en capituleerde reeds na 16 dagen. De universiteit opende in de herfst van 1940 gewoon zijn deuren. Het studentenleven kreeg het zwaar te verduren: rantsoenering en avondklok golden; bier was een schaars goed. Ondanks deze bezetting werd Maaslandia in 1943 opgericht.

foto van Jan Willem Meugens.

De vredesjaren: 1946-1955

Georges Reynders blies de Limburgse Gilde nieuw leven in na de tweede grote oorlog. Drie jaar later werd de Limburgse Gilde bijgevoegd door een Genks gezelschap: Moeder Mijnlamp (1948). In de jaren ’50 was een club met meer dan 100 leden niet bijzonder, iets wat nu tot de verbeelding spreekt. Deze bloei werd mogelijk gemaakt door de democratisering van het onderwijs en de vele hogere opleidingen die opgericht werden. Facultaire studentenkringen vervulden destijds niet de gigantische rol van vandaag en waren relatief klein in omvang. In 1952 werd Hasseleta door het Seniorenkonvent erkend, Mijnlamp volgde in 1955.

Onder de sloef en de taalstrijd: 1956-1975

Niet veel bronnen scheppen verlichting, maar omstreeks 1956 waren vrouwelijke studenten deel van de Limburgse corona. Vrouwen konden in de jaren ’60 lid zijn van de Gilde en naar zijn activiteiten komen, maar ze konden zich niet aansluiten bij de Limburgse clubs. Echter, met zekerheid kan gezegd worden dat Hasseleta, Maaslandia en Mijnlamp in de eerste helft van de jaren wel ’70 gemengde clubs waren. Deze dames verdwenen geleidelijk uit het LG en vormden een structuur op zichzelf. Er ontstonden in die tijd allerlei conventen en officieuze zusterclubs, maar weinig resteert hiervan.
De introductie van het vrouwelijke clubleven kan verklaard worden wegens het feit dat het vanaf de jaren ’50 minder ongewoon werd dat een vrouw student werd.

Deze jaren werden niet enkel getekend door een vrouwelijk gezelschap, maar vonden ook plaats in het heetst van de Leuvense taalstrijd.Sinds de tweede wereldoorlog waren er twee universiteiten in Leuven, een Nederlandstalige en een Franstalige en in 1962 kwam Leuven pas integraal in Vlaams grondgebied.
Een citaat van bekend studentenleider Paul Goossens (Praeses K.V.H.V.): “Wij – en daarmee bedoel ik de verschillende studentenbewegingen van die tijd – vonden dat een universiteit een directe band moet hebben met de bevolking. Dat kan moeilijk buiten de eigen taalgemeenschap.” Destijds vervulde het clubleven soms een politieke rol – wat uiteraard niet gold voor alle clubs. De jaren ’60 waren ook geen bloei-jaren voor het clubleven: de democratisering van het onderwijs bracht een toevloed van studenten mee en introduceerde een tijdperk van individualisme: er waren vele organisaties en de meeste studenten deden opportunistisch mee aan de activiteiten van deze verschillende verenigingen.

De Ambiorix, thuisoord van de Limburgse student, werd gedoopt in 1964 met achter de toog de eeuwige student geneeskunde Jos Rastelli. Een jaar later kwam de Ambi in handen van Tienne en Gerda.

Senior Seniorum, de senior van het SK, Leo Weytjens (Hasseleta) vierde in december 1964 de zevende lustrum van het SK met een lustrumweek: maandag in de Rijschool een massaclub, dinsdag een lustrum Thé-Dansant (nu gekend als TD, een studentenfuif) te Salons George, woensdag een voetbaltornooi tussen de gilden met daarna gratis vaten in de stamcafés op de Ouder Markt, donderdag een cantus in de Grote Aula van het Maria-Theresia College, vrijdag een banket en zaterdag een bezoek aan de Handelsbeurs van Antwerpen die voor de gelegenheid in teken stond van het SK.

Valère Vautmans (Hesbania, Senior Seniorum 1966 – 1967, later bekend politicus om en rond Sint – Truiden) haalde in oktober 1966 de nationale pers: de commilitones van het SK namen deel aan een voettocht van Oostende naar Leuven. Deze tocht was geïnspireerd op de Meredithmars waar de Amerikaanse zwarten streden voor hun burgerrechten; deze versie stond echter in teken van de Vervlaamsing van de Alma Mater.

In oktober 1967 was het de beurt aan Mijnlamp: deze keer haalde Senior Seniorum Paul Degraeve de nationale pers met de opprichting van de Universiteit van Zoutenaaie. Zoutenaaie was destijds het kleinste dorp van het land. De actie, waar 2 bussen vol toekomstige advocaten, artsen, enzovoort gereden werden naar het dorpje, pleitte voor een spreiding van de universitaire studies.

Het Seniorenkonvent deed na 1968 niet meer aan politiek.Voorts leren bronnen dat in de jaren ’60 er wel 30 clubcafés waren in Leuven.

Ex-LUC: 1976-1995

In 1971 werd het Limburgs Universitair Centrum (LUC) opgericht (nu UHasselt). Deze studenten trokken na hun regentaat (nu Bachelor), of zelfs eerder, naar Leuven om hun studies te vervolledigen. Dit Limburgs gezelschap richtte reeds snel in Hasselt enkele studentenclubs op en geleidelijk aan ontstonden er Leuvense takken wanneer deze naar de Alma Mater trokken.
Boves Luci (1976) was eerste, Klamme Hand (1980) tweede en Carpe Diem (1981) derde.

De jaren ’70 en ’80 worden vaak omgeschreven als dé jaren. In 1970 begonnen de Franstalige activiteiten naar Louvain-La-Neuve te verplaatsen en Leuven was voor het eerst (grotendeels) Vlaams, vrouwen werden steeds vaker student, januari-examens bestonden niet, meer en meer mensen van ‘gewone komaf’ konden het veroorloven om te gaan studeren. De accumulatie van deze elementen leidde tot een explosie van de Gilde.

Georges Lenssen (Maaslandia) maakte zijn jaar als Senior Seniorum in 1978-1978 memorabel: de eerste jaargang van de SK-Krant werd uitgegeven en het academiejaar werd afgesloten met de eerste editie van de Studentenfeesten op het Hogeschoolplein. Deze festiviteit onderhield o.a. volksspelen, een stratencross en optredens, onder meer eentje van Raymond Van het Groenewoud.

De gebeurtenis met uitstek in 1983 was het bezoek van Xaviera Hollander, een wereldberoemde Nederlandse prostituee, aan het Kraakske op uitnodiging van Boves Luci. Zij en Prins Carnaval Smegma I (Warner Camps, later Praeses geworden van Boves Luci) maakten het zo bond dat het rectoraat de Prins tot de orde kwam roepen.

In 1985 werd het centinium, het honderdjarig bestaan van de Limburgse Gilde, m.a.w. de XXe lustrum gevierd. Een LG clubpetje werd voor de gelegenheid gemaakt.

Aan het hoofd van SK Lustrumjaar van 1994 – 1995, een jaar na het verschijnen van de bekende Vlaamse film “Ad Fundum”, stond Johan Grutman (Heidebloem). Het werd een typisch SK-jaar: studentenzangfeest, verkiezing Prins Carnaval, een carnavalrolling, een carnavalfuif, een voetbaltornooi, een bierestafette, een ski-reis naar Val Thorens, een tweede jaargang van de SK-Gazet.

Millenniumwisseling: 1996-2007

Omstreeks de millenniumwisseling werd het semestersysteem geïntroduceerd aan de KUL: examens in januari en examens in juni. Deze maatregel trof het uitgaansleven, en het clubleven, enorm. Er resteerden in 1995 ‘slechts’ 12 clubcafés. Academiejaar 2003-2004 werd het jaar waarin Heidebloem, Maaslandia en Mijnlamp verdwenen. Van 2004 tot 2007 hielden slechts enkele hengsten van Hesbania de Gilde recht.

Koen Jacobs, Oud – Mijnlamper en destijds uitbater van de Ambiorix, een studentencafé op de Oude Markt, zei het met de volgende woorden in Veto (studentenkrant KUL): “De luxueuze koten, de hoge bierprijzen en semesterexamens worden met de vinger gewezen voor het verdwijnen of aftakelen van ‘legendarische’ Limburgse clubs als Heidebloem en Klamme Hand.“.

Tegenwoordige tijd: 2008-...

In 2008 zat Hesbania eindelijk niet meer alleen in ‘den Ambi’. Hasseleta, Klamme Hand en Carpe Diem werden vervolgens heropgericht. In 2010 kwam Mijnlamp er terug bij en in 2011 mochten we Heidebloem weer verwelkomen.

Een oorzaak kan niet direct gevonden worden voor de plotse herrijzenis van de Limburgse Gilde.Een naïeve verklaring zou zijn dat het Limburggevoel sterker is dan ooit; een meer psychologische – wetenschappelijk verklaring zou dan weer te wijten zijn aan de recente groei van het internet en de bijbehorende social media die het bereik enorm vergroten; een andere verklaring is dan weer het kettingeffect sinds de heroprichting van Hasseleta en het niet willen onderdoen voor elkaar.

Anno 2012 – 2013 heeft de Gilde er weer een succesvol jaar opzitten. Bram Kerkhofs v. Borokov (Mijnlamp) nam het seniorschap over van Joris Ghysen v. Silo (Hasseleta) – de eerste niet – Hesbania Gilde – senior sinds lange tijd. Van 12 november ’12 tot 15 november ’12 werd een “Vang-de-Schacht-Week” georganiseerd, bekroond met een TD (“Limburg Feest”) op de laatste dag, waarvan de opbrengst geschonken werd aan “een Hart voor Limburg”.

Op 7 maart ’13 maakte de Limburgse Gilde een reis doorheen Limburg, met pauzes in de verschillende thuissteden (Bocholt, Genk, Diepenbeek, Hasselt, Sint-Truiden) van de LG-clubs. Op 8 mei ’13 volgde Maarten Hermans v. Zwan (Mijnlamp) zijn clubcollege op als Senior – een primeur in de geschiedenis van Moeder Mijnlamp. De reis door Limburg is de dag van vandaag uitgegroeid tot een waar fenomeen wat nog jaarlijks plaatsvindt en een hoogdag is voor de Limburgse Gilde. Hieronder een korte samenvatting van de reis door Limburg 2017 in de vorm van een aftermovie.

Reis door Limburg 2017 onder leiding van Senior Mest (Michel Fransen – Hesbania).

In 2013 werd Moeder Maaslandia heropgericht en in 2014 sloten ze zich weer aan bij de Limburgse Gilde en het SK. Hierdoor bestond de Limburgse Gilde weer uit 7 clubs waardoor het zich officieel de grootste Gilde van Vlaanderen mocht noemen. Dat de Limburgse Gilde de grootste is werd de laatste jaren ook duidelijk op de evenementen van ’t SK. Zo wonnen we de laatste 3 jaar (2015 – 2016 – 2017) niet enkel telkens de provinciezuip onder de Vlaamse provincies, maar leverden we ook de sterkste kandidaat af op de SK prins karnaval verkiezingen.

UVCF LG!